Geschiedenis

De voorouders

De voorouders van de Cairn Terriër moeten gezocht worden in de ruige omgeving van de Schotse Hooglanden, hoofdzakelijk in het westelijke deel dat bergachtig is met een diep ingesneden kustlijn. Het gebied omvat bijna 200 bewoonde eilanden.Deze grillige omgeving met de rotsen,inhammen,klippen, beken ,rivieren en meren vormde het natuurlijke woongebied van de Cairn Terriër. 

Omstreeks 1500

Omstreeks 1500 werd er al geschreven over de Schotse Terriërs, die waarschijnlijk de directe voorouders van de Cairn zijn geweest,evenals die van de West Highland Wite Terriër, de Skye Terriër en de huidige Schotse Terriër. 

Deze rassen lijken onderling nog veel op elkaar. 
Dat is ook niet zo vreemd, als men bedenkt dat ze gefokt zijn om min of meer hetzelfde werk te doen. 
Hoe de hond er dan verder precies uitzag, was niet zo belangrijk.Men fokte de honden die hun werk het beste deden,en het uiterlijk van de honden was slechts van belang voor zover zij de kwaliteiten van de hond beïnvloedde. 
De onderlinge verschillen tussen de rassen zijn pas later door de kynologie in tentoonstellingen benadrukt en behouden. 
Men ging specifiek fokken op bepaalde typerende eigenschappen van de afzonderlijke rassen. 
Dat resulteerde in de uiterlijke verschillen van de Terriërrassen zoals we die vandaag de dag zien. 
Betreft hun karakter lijken ze evenwel nog sterk op elkaar. 

Eind van de negentiende eeuw

Aan het eind van de negentiende eeuw werd een begin gemaakt met het fokken van de kortharige Skye Terriër. 

In 1908 verschenen deze Terriërs op de hondententoonstelling van Inverness en het jaar daarop waren er enkele te bewonderen op de Cruft’Dog Schow. 

In 1910 werd het ras dat men Cairn Terriër ging noemen erkend door de Engelse Kennel Club.
De naam is een verwijzing naar de rotsspleten (Cairns)waartussen de otter en de vos zich verborgen hielden. 
De jacht op vossen werd in Schotland beoefend door beroepsjagers, die op verzoek van landeigenaren en boeren de vossen kwamen opruimen. 
Daarnaast werden de Terriërs ingezet bij de jacht op otters, die volgens de vissers iets te veel zalm wegpikten. 
De Cairn moest dus zeer goed kunnen zwemmen,maar daarnaast moest hij ook een echte Gems ( berggeit)zijn, om zich te handhaven op het rotsachtige terrein waar de vossen zich ophielden. 
Zijn korte pootjes komen hem daarbij zeer goed van pas want hierdoor kan hij zijn evenwicht goed bewaren.